column

2013 2012 2011 2012 2011 2012 2010 2009 2008 2007 2006

Overheid, publiek en museum

In Nederland vraagt men zich van oudsher af of het wel verantwoord is overheidsgeld aan kunst en cultuur uit te geven, meer dan in veel andere landen, is mijn inschatting. Dit is eigenlijk merkwaardig als je bedenkt dat Nederland minder dan één procent van de nationale begroting aan cultuur uitgeeft. Desondanks is er een situatie gegroeid waarin het ene particuliere initiatief na het andere uiteindelijk onder de regie van de overheid is geraakt. De overheden (rijk, gemeente, provincie) lijken daar zelden gelukkig mee te zijn, maar willen of kunnen niet tot drastische keuzes komen, zodat er steeds meer nieuwe verantwoordelijkheden bijkomen. Door hun particuliere herkomst, door het gebrek aan centrale regie en door het relatieve gebrek aan belangstelling van de bestuurlijke en politieke elite, hebben deze instellingen wel een hoge mate van zelfstandigheid kunnen ontwikkelen, die, gecombineerd met gedrevenheid en vindingrijkheid, tot prachtige resultaten heeft geleid. Bij voorbeeld, relatief veel musea hebben zich in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw op het gebied van de hedendaagse beeldende kunst als internationale koplopers kunnen manifesteren. Dat is nu een stuk moeilijker geworden, nu deze kunst hot en duur is en er zeer veel musea zich wereldwijd op zijn gaan toeleggen. Op dit gebied kan de voorsprong alleen nog maar gehandhaafd worden door een sterke politieke wil en adequate financiële vertaling. Dat lijkt in Nederland onmogelijk. Gelukkig zijn er nog steeds mecenassen die geld in cultuur steken: alleen al op museaal gebied hebben we daaraan bij voorbeeld het Scheringa Museum, De Pont en Museum Beelden aan Zee te danken. Grote private fondsen en sponsors zijn er ook gekomen: zoals het VSB Fonds of de BankGiro Loterij, die spelers van formaat zijn geworden op het culturele veld.

De overheden hebben houvast nodig, stevige argumenten, om bereid te blijven het door hun beheerde geld aan cultuur uit te geven. Inhoudelijke argumenten, zoals ik in mijn vorige column over kwaliteit aansneed, overtuigen in onze economische maatschappij veel minder dan cijfers en lijstjes. Bij zijn zoektocht naar een evenwichtiger herverdeling van een deel van de subsidiegelden is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarin bijgevallen door een commissie, die, kort samengevat, stelt dat de mate van zelffinanciering een graadmeter is voor het maatschappelijke draagvlak van een culturele instelling en dat er nog heel veel mogelijkheden zijn voor de cultuur om middelen uit de markt te halen. Vervolgens stelt de commissie voor dat de instellingen, de door het rijk gesubsidieerde voorop, aan de hand van een globaal beschreven systeem moeten gaan werken aan het verhogen van hun inkomsten. Veel van die instellingen, waaronder het Kröller-Müller Museum, zijn al jaren bezig om de markt te bewerken en vinden dat ondertussen de gewoonste zaak van de wereld, maar weten ook dat de markt zeer beperkt is en de onderlinge concurrentie dus groot wordt. Vooral de grotere instellingen in de Randstad doen het heel goed, de kleinere en meer perifere boeken een veel grilliger resultatenpatroon. Hulp om het ondernemerschap te verbeteren hebben we allemaal nodig, alleen liggen de behoeften op dit punt mijlenver uit elkaar. Het is dus productiever om te pleiten voor maatwerk zonder de nieuwe loketten te scheppen, waarmee de genoemde commissie komt.

Ik ben ervan overtuigd dat het vooral de opstelling van de overheid zelf is die culturele instellingen verhindert om hun ‘maatschappelijk draagvlak’ te vergroten.
Dat komt in de eerste plaats door de angst van de overheid om los te laten. Er is een sterke bindingsdrang met instellingen, die door steeds nieuwe regels en voorschriften gevoed wordt. Een voormalig rijksmuseum als het onze legt rekenschap af aan de maatschappij op vele formele manieren: er is een beheersovereenkomst met de staat, een huurovereenkomst met de rijksgebouwendienst, door de staat vastgestelde statuten, door de staat benoemde leden van de Raad van Toezicht, dwingende voorschriften van de staat voor het opstellen van de jaarrekening, controle op jaarrekening en jaarverslag door de staat, controle door de Erfgoedinspectie, regels bij de subsidieaanvraag, advisering door de Raad van Cultuur, vierjaarlijkse resultaatafspraken met de staat, de museumregistratie, de museale gedragscode, de code cultural governance en binnenkort zelfevaluatie en visitatie. Financieel loopt een verzelfstandigde instelling nog steeds aan de leiband van de overheid, bij voorbeeld door strenge regels over de vorming van eigen vermogen.

Dat probleem met het draagvlak komt ook omdat de overheid te veel wil met te weinig geld. De overheid heeft een enorme sturingsdrang, maar levert daar niet altijd de middelen bij. Kwantiteit lijkt belangrijker geworden dan kwaliteit. De overheid wil of kan niet sturen op kwaliteit en raakt daardoor vervreemd van de noodzaak van haar handelen. Door op kwantiteit te sturen en tegelijkertijd het subsidievolume te willen verminderen, wordt het urgent om keuzes te maken.
Door cultuur voor politieke doeleinden te willen inzetten, worden cultuuruitingen steeds meer ideologisch gekleurd. Deze kleuring moet uit de maatschappij en de instellingen zelf komen en niet opgelegd worden door subsidiegevers, is mijn stellige overtuiging. De overheid is op alle fronten een belangrijke speler op het culturele veld geworden, maar het paradoxale is dat ze er eigenlijk niet aanwezig lijkt te willen zijn. Die paradox wordt pijnlijk gevoeld in de maatschappij.

We hebben een nieuwe visie nodig van de overheid op de fundamentele betekenis van cultuur in een maatschappij en een realistische vertaling daarvan voor de subsidiepraktijk. De afgelopen jaren zijn de cultuurnota’s van de rijksoverheid toonbeelden geweest van beleidsrijke documenten, die effect misten omdat er wel veel ambities uit spraken, maar ze gespeend waren van realisme en het besef dat er geen geld was voor de uitwerking. Eindeloos is de kaasschaaf gehanteerd om dat vervolgens in een nieuwe periode te verhalen op de ondernemingskansen van de instellingen. Cultuurbeleid in Nederland zou terug moeten gaan naar hoofdlijnen, realisme en een fundamentele bezinning op het huidige bestel. Het is een illusie om zoveel instellingen te laten functioneren, vegeteren is een betere karakteristiek, en tegelijk de cultuur te willen vernieuwen en punten van de politieke agenda er door te willen drukken. Dat kan niet. Maatschappelijk draagvlak groeit door realisme, door diversiteit in opvattingen en van aanpak toe te staan en vertrouwen te geven. Geen kaasschaaf meer, maar heldere keuzes, ook als deze pijnlijk zullen zijn.

Evert van Straaten
Mei 2008