archief

Aangekocht in 2011

Vogeltje

2011

Joost van den Toorn (1954)

brons

Het werk van Joost van den Toorn vervult een belangrijke rol in de verzameling. Hij werd bekend in de jaren tachtig met uit diverse materialen en gevonden voorwerpen samengestelde beelden, vaak brutaal van kleur en met uitdagende verwijzingen naar gevoelige of ongemakkelijke maatschappelijke onderwerpen rond erotiek, religie of politiek. In latere jaren verschoof zijn voorkeur naar brons en andere metalen, steen en keramiek voor de uitvoering van zijn voorstellingen. Zijn beelden worden gekenmerkt door een zeker absurdisme en getuigen van een rijke verbeelding. Ongemakkelijk zijn ze door de vrijmoedige omgang met thema’s als wreedheid, dood, religieuze gevoelens, dieren, leedvermaak en persoonsverheerlijking. Aandoenlijk en invoelbaar worden ze door de sfeer van weemoed en melancholie die er vaak mede in uitgedrukt wordt. En onmiskenbaar is er humor, soms wrang, soms ontwapenend. Van den Toorn liet zich van het begin af aan inspireren door een breed scala van kunstuitingen, van uitingen van mondiale volksculturen (van de Noord-Amerikaanse Inuit tot de Batak van Sumatra), via de kunst van geesteszieken, tot de minder bekende vertegenwoordigers van de westerse moderne kunst uit het begin van de 20ste eeuw, zoals Henri Gaudier-Brzeska en Alexander Archipenko. Zijn rol in de verzameling is dan ook veelzijdig, omdat het aansluit bij zowel het werk van de laatstgenoemde kunstenaars als dat van Jacques Lipchitz, van Inuit kunstenaars of van niet-westerse culturen in de verzameling.

Vogeltje - Joost van den Toorn (1954)
Aangekocht in 2010

Ultimate Painting No.39

1960

Ad Reinhardt (1913-1967)

olieverf op doek

Van Ad Reinhardt (1913-1967) werd Ultimate Painting No. 39 uit 1960 aangekocht met steun van de BankGiro Loterij, door toedoen van de Stichting Kröller-Müller Fonds, de Mondriaan Stichting en de Vereniging Rembrandt en haar Titus Fonds. Hiermee ging een lang gekoesterde wens in vervulling. Ad Reinhardt is een Amerikaans kunstenaar in de abstract-geometrische traditie, iets jonger dan Barnett Newman en Mark Rothko. Zijn artistieke ontwikkeling staat in het teken van zijn zoektocht naar de essentie van kunst. Hij werd door de minimalistische en conceptuele kunstenaars van de decennia daarna als een belangrijk wegbereider gezien. Voor het museum is de verwerving van een zwart schilderij van Reinhardt van belang vanwege de relatie met het werk van de door hem bewonderde en in ons museum zo prominent aanwezige Piet Mondriaan. Het is ook van belang in het bredere kader van werk van kunstenaars die ruimte en kleur tot uitgangspunt nemen. Zwart staat niet alleen symbool voor de compressie van alles tot niets, de ultieme vorm van leegte, maar ook voor de oneindige ruimte. Het is minstens even belangrijk in de context van de verzameling conceptuele en post-conceptuele kunst , van dat deel van de kunst dat zich intensief met de rol en betekenis van kunst bezighoudt, zoals dat pregnant in de verzameling van het Kröller-Müller Museum aanwezig is. Dat deel van ons publiek, dat het museum waardeert voor het platform dat het biedt voor reflectie en meditatie (en dat is een groot deel!) zal deze aanwinst in het bijzonder gaan koesteren.

Ultimate Painting No.39 - Ad Reinhardt (1913-1967)
Uit nalatenschap 2010

Blauw-geel-groen (reconstructie van de kleur groen)

1970

R.W. van de Wint (1942-2006)

aquarel op papier

Uit de nalatenschap van R.W. van de Wint (1942-2006) is een groep van 36 aquarellen en gouaches uit de jaren zeventig verworven. Ze zijn door de erven in ruil voor betaling van successierechten aan de Nederlandse Staat gegeven en het Ministerie van Financiën droeg vervolgens de werken in beheer over aan het museum. Het werk van Van de Wint is prominent vertegenwoordigd in de verzameling, onder andere met twee monumentale sculpturen in de beeldentuin, die na een grote tentoonstelling van zijn werk in het museum in 2002 hier een permanente plaats vonden. Van de Wint was sinds de jaren zestig actief als schilder en performance kunstenaar. In de jaren daarna ontstaat een steeds gelaagder oeuvre waarin de dragers van het schilderij ruimtelijke, sculpturale en architectonische vormen beginnen aan te nemen. Van begin jaren tachtig tot aan zijn dood werkte hij aan een vrijplaats voor zijn eigen kunst, een eigen beeldenpark, De Nollen, in Den Helder. Al in de jaren negentig kocht het museum een grote groep ontwerpen die de overgang van het schilderkunstige naar het ruimtelijke volgt. De nu verworven groep werken is de neerslag van Van de Wints persoonlijke onderzoek naar de werking en de toepassing van de kleur gedurende de jaren zeventig.

Blauw-geel-groen (reconstructie van de kleur groen) - R.W. van de Wint (1942-2006)
Legaat 2010

Prometheus

juli 1926

Oswald Wenckebach (1895 - 1962)

brons op stenen sokkel

In 2009 werd een belangrijk laat beeld van Oswald Wenckebach (1895-1962), De verslagen overwinnaar uit 1957, door zijn familie aan het museum geschonken. Het heeft sindsdien een vaste plaats gekregen in het beeldenpaviljoen van Aldo van Eyck. Wenckebach behoort tot de klassieke Nederlandse beeldhouwers: iedereen kent zijn beeld Meneer Jacques, waarvan een exemplaar bij de ingang van ons museum staat. In 2010 werden wij verrast met een legaat van vier vroege sculpturen uit de nalatenschap van mevrouw J.M. Welcker. De beelden zijn afkomstig uit de verzameling van Dr. A. Welcker. Ze zijn een grote verrijking voor onze verzameling sculpturen uit het interbellum. Vooral Prometheus uit 1926 is een belangrijk stuk en zal dan ook in 2011 te zien zijn op een aan Wenckebach gewijde overzichtstentoonstelling in Museum Beelden aan Zee in Scheveningen.

Prometheus - Oswald Wenckebach (1895 - 1962)
Aangekocht in 2010

Vogelbekdier

2008

Joost van den Toorn (1954)

brons

Joost van den Toorn (1954) volgde zijn opleiding tot beeldend kunstenaar aan de Rietveld Academie in Amsterdam van 1976 tot 1980. Hij werd bekend in de jaren 80 met uit diverse materialen en gevonden voorwerpen samengestelde beelden, vaak brutaal van kleur en met uitdagende verwijzingen naar gevoelige of ongemakkelijke maatschappelijke onderwerpen rond erotiek, religie of politiek. In latere jaren verschoof zijn voorkeur naar brons en andere metalen, naar steen en keramiek voor de uitvoering van zijn voorstellingen. Zijn beelden worden gekenmerkt door een zeker absurdisme en getuigen van een rijke verbeelding. Ongemakkelijk zijn ze door de vrijmoedige omgang met thema’s die meestal met een handschoen aangepakt moeten worden, zoals wreedheid, dood, religieuze gevoelens, dieren, leedvermaak en persoonsverheerlijking. Aandoenlijk en invoelbaar worden ze door de sfeer van weemoed en melancholie die er vaak mede in uitgedrukt wordt. En onmiskenbaar is er humor, soms wrang, soms ontwapenend.

Van den Toorn liet zich van het begin af aan inspireren door een breed scala van kunstuitingen, van uitingen van mondiale volksculturen (van de Noordamerikaanse Inuit tot de Batak van Sumatra), via de ‘art brut’ van geesteszieken, tot de minder bekende vertegenwoordigers van het westerse modernisme uit het begin van de 20ste eeuw, zoals Henri Gaudier-Brzeska. Kenmerkend voor hem is dat het marginale hem dierbaarder is dan wat in het licht van de schijnwerpers staat. Het Kröller-Müller Museum volgt de kunstenaar sinds 1991 en heeft een imposante reeks van werken (24 sculpturen en 2 tekeningen) in de verzameling opgenomen. In 2010 werden twee recente werken aangekocht en schonk de kunstenaar drie vroege sculpturen om de representativiteit van zijn vertegenwoordiging te verfijnen.

Vogelbekdier - Joost van den Toorn (1954)
Geschonken in 2010

Calvaire

2005

Peter Otto (1955)

geglazuurd aardewerk, katoen, bamboovezel

Sinds 1997 verzamelt het museum werk van Peter Otto (1955). Het gaat ondertussen om 15 aquarellen, vier sculpturen en een bijzondere gedrukte uitgave. Zijn werk komt voort uit heftige gevoelens en empathie met degenen die lijden. Het gaat weliswaar de verbeelding van het gruwelijke niet uit de weg, maar is gericht op bezinning en meditatie met behulp van esthetische zinsbegoocheling. De in 2010 verworven aquarel is een representatief voorbeeld van zijn werken op papier. Van het EKWC (Europees Keramisch Werkcentrum), waar de kunstenaar een tijd gewerkt heeft, ontving het museum een sculptuur, Calvaire, ten geschenke. Ook dit werk is karakteristiek voor Otto: een stilleven met een ongewone combinatie van gebruiksvoorwerpen en lichaamsdelen, op het eerste gezicht gemutileerd of in ontbinding.

Calvaire - Peter Otto (1955)
Landurig bruikleen 2010

Hond op stoel

onbekend

Adolphe-Joseph Monticelli (1824 - 1886)

olieverf op doek

Het portret van de grijsharige smoushond van Adolphe Monticelli (1824-1886), een opvallende verschijning in ons museum, heeft in 2010 gezelschap gekregen van een ander portret van een hond. Onderzoek moet nog uitwijzen of ze pendanten van elkaar zijn. Het lijkt voor de hand te liggen: de een naar rechts gewend, de ander naar links, beide op hetzelfde formaat geschilderd en op dezelfde wijze ingelijst. Het bruikleen is afkomstig van een kleindochter van Helene Kröller-Müller, mevrouw H. Everwijn-Brückmann, wier moeder het van H.P. Bremmer kocht. De bedoeling van het bruikleen is om het te zijner tijd in een schenking om te zetten. Monticelli, al vertegenwoordigd in onze verzameling met zeven andere werken, werd zeer bewonderd door Vincent van Gogh. Zijn bijna sculpturale verfgebruik, zijn experimenten met toevoegingen aan de verf en vernis als expressiemiddel, zijn (door de bestudering van Delacroix) intense kleurtoepassing en zijn exuberante fantasie zorgen nog steeds voor verwondering en bewondering. De verhalen over zijn raadselachtige persoonlijkheid (ingegeven door zijn overtuiging dat hij in directe verbinding met God stond) hebben daar ook veel aan bijgedragen. Dat doet niets af aan zijn betekenis voor de ontwikkeling van de moderne schilderkunst. We zijn erg blij met deze toevoeging aan onze ‘oude’ collectie.

Hond op stoel - Adolphe-Joseph Monticelli (1824 - 1886)
Aangekocht in 2010

De grote gekwetste

1894

George Minne (1866 - 1941)

brons

Uit de nalatenschap van mevrouw J.M. Welcker ontving het museum vier sculpturen van Oswald Wenckebach (zie aldaar), die oorspronkelijk tot de verzameling van Dr. A. Welcker behoorden. Tot haar nalatenschap behoorde ook een sculptuur van George Minne (1866-1941) die tijdens een veiling van het Venduehuis in Den Haag is aangekocht. Het gaat om een vroeg gietsel van De grote gekwetste uit 1894. Van Minne bezat het museum al een reeks werken, waaronder exemplaren van De man met de waterzak uit 1897, De kleine gekwetste II en De geknielde van de fontein, beide uit 1898.  Zijn werk functioneert in ons museum in de context van vele symbolistisch getinte werken van rond de eeuwwisseling. Minne zocht naar een ingekeerde, zuivere, invoelende kunst. De beelden uit de jaren 90 van de 19de eeuw, met als centraal werk De fontein der geknielden, die uitgerekte naakte jonge mannen laten zien in afwerende, zich zelf beschermende gebaren, behoren tot zijn geslaagdste werken. Hier heeft empathie op een uiterst gevoelige wijze een vorm gekregen.

De grote gekwetste - George Minne (1866 - 1941)
Aangekocht in 2010

Twee Heugemer pony's

2008

Tom Claassen (1964)

beton

Van beeldhouwer Tom Claassen (1964) werden in 2010 twee betonnen pony’s gekocht, mede ter opluistering van het 75-jarig bestaan van De Hoge Veluwe. Ze staan ‘geparkeerd’ bij de ingang naar de beeldentuin vanuit het centrumgebied, alsof hun berijders even afgestapt zijn om een bezoekje te brengen aan het Kröller-Müller Museum. Claassen, van wie in de beeldentuin twee andere monumentale sculpturen te bezichtigen zijn, 18 Liggende houten mannen uit 2000 en Rocky Lumps uit 2005-2006, is bekend om zijn mens- en dierfiguren die in een zodanige staat van erosie lijken te verkeren dat ze uit de natuur schijnen op te doemen of er juist in lijken op te gaan. Door de technieken die hij gebruikt en door zijn vormrepertoire ontstaat vaak een (niet toevallige) verwijzing naar knuffels, maar ze gaan er bij Claassen wel dreigender uitzien. In de context van de beeldentuin en de natuur van De Hoge Veluwe vinden ze hun ideale habitat.

Twee Heugemer pony's - Tom Claassen (1964)
Aangekocht in 2010

"The Paintings" (with Us in the Nature)

1971

Gilbert & George (1943, 1942)

olieverf op doek

De bijzonderste aankoop in 2010 is zonder twijfel het grote, uit 6 triptieken bestaande werk van Gilbert & George (1943 en 1942): The Paintings (with Us in the Nature) uit 1971. Deze aankoop kwam tot stand met de BankGiro Loterij (door toedoen van de Stichting Kröller-Müller Fonds), het Nationaal Aankoopfonds van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Mondriaan Stichting, de Vereniging Rembrandt en haar Titusfonds, het SNS REAAL Fonds en het VSBfonds.

The Paintings is de overdonderende en uitdagende artistieke synthese van de gevoelens van twee jonge kunstenaars over hun missie in de kunst na een zomer in de paradijselijke natuur van oostelijk Engeland. Het is tevens hun eerste grote, belangrijke kunstwerk.

De aankoop is belangrijk om de verzameling conceptuele kunst en de vertegenwoordiging van het (vroege) werk van Gilbert & George een zwaartepunt te geven, maar ook om een bijzondere artistieke visie op het paradijselijke van de natuur in de context van het Kröller-Müller Museum te brengen. Rond de aankoop is in 2010 een tentoonstelling gemaakt met een uitgebreide toelichting. Verschillende documenten die betrekking hebben op The Paintings en de kunstenaars zijn ook in 2010 verworven. Heel bijzonder is de aankoop van de in boekvorm in 1970 uitgegeven ‘sculpture novel’ Side by Side, waarin de foto’s, die onder andere voor de voorstellingen op The Paintings gebruikt zijn, terug te vinden zijn, voorzien van poëtische teksten van de hand van de kunstenaars.
Aangekocht in 2010

op dit moment bevindt stanley brouwn zich op een afstand van x voet

2009

Stanley Brouwn (1935)

multiplex, hout, acrylverf, aluminium, metalen onderdelen, twee kaartjes met geprinte tekst

Brouwns werk draait om het fascinerende verschijnsel van de beweging in ruimte en tijd. Steeds anders heeft Brouwn sinds de vroege jaren zestig uiting en vorm gegeven aan zijn verwondering daarover, aanvankelijk door anderen, toevallige personen daarbij te betrekken en later door zijn eigen subjectieve persoon als middelpunt te kiezen. In de jaren zestig vroeg hij voorbijgangers de weg naar een bepaalde plek en liet ze daarvan een schets maken. Deze schets stempelde hij met de tekst “This Way Brouwn” en exposeerde hij los in een vitrine, als een ‘sculptuur’ die de dimensies van tijd en ruimte moest oproepen. In het recent verworven werk moet de ‘sculptuur’ zich ook in de geest vormen. Een plank staat op schragen tegen de muur. Op de plank ligt een aluminium strip met de lengte van een voet. Op de muur is de volgende tekst te lezen: “op dit moment bevindt stanley brouwn zich op een afstand van x voet.”

op dit moment bevindt stanley brouwn zich op een afstand van x voet - Stanley Brouwn (1935)
Aangekocht in 2010

Inopportune: Stage two

2004

Cai Guo-Qiang (1957)

negen levensgrote tijgers (replica's), pijlen en bergdecor; tijgers: papier-maché, gips, fiberglas, kunsthars en beschilderde huid; pijlen: koper, bamboestok met schroefdraad en veren; decor: styrofoam, hout, doek en acrylverf

In 1986 verhuisde Cai (1957) van zijn geboorteland China naar Japan en sinds 1995 woont en werkt hij in New York. In Cais werk staat een oud thema centraal: het vrijmaken van energie en nieuwe mogelijkheden door middel van destructie. Door daarbij elementen uit de Chinese geschiedenis en cultuur in te brengen en buskruit als voornaamste beeldend middel te gebruiken heeft hij een zeer persoonlijk oeuvre opgebouwd. Cai deed  in de winter van 1994-1995 mee aan de spraakmakende tentoonstelling Heart of Darkness in het Kröller-Müller Museum, onder andere met een spectaculaire performance waarbij buskruit gebruikt werd. Het museum kocht toen de monumentale tekening Myth: Shooting the Suns: Project for Extraterrestrials No. 21. Sindsdien heeft Cai een internationale bliksemcarrière gemaakt en leek het erop dat zijn werk onbereikbaar was geworden voor ons museum. Dankzij Cais generositeit en die van de BankGiro Loterij is het mogelijk om in 2010 een monumentale installatie van Cai aan te kopen: Inopportune: Stage Two uit 2004. Deze zaalvullende installatie bestaat uit 9 levensgrote replica’s van tijgers vol pijlen en een decorstuk in de vorm van een bergje met een boom. De tijgers zweven als in doodsnood in de ruimte. Het werk neemt in het over het algemeen meer luchthartige oeuvre van Cai een ernstige positie in. Het heeft weliswaar de fraaie theatrale elementen waar Cai graag mee werkt, maar is ongemakkelijk, misschien zelfs wel onbehoorlijk in zijn thematiek. Cai heeft impliciet zijn reactie op terrorisme, oorlogsgeweld en uitroeiing gegeven in dit werk en de ongemakkelijke houding van de mens tegenover deze fenomenen. Heroiek heeft een schaduwzijde waarin het gevecht tussen goed en kwaad woedt. Het werk zal begin 2012 voor het eerst in het museum getoond worden.

Inopportune: Stage two - Cai Guo-Qiang (1957)
Aangekocht in 2009

CLUB MAMA GEMÜTLICH

2009

Christiaan Bastiaans (1951)

installatie met 35 mm film overgezet op Blu-ray, kleur, geluid

Het Kröller-Müller Museum is in 1994 begonnen met het aankopen van werken van Christiaan Bastiaans. Centraal in de aandacht van het museum staat de wisselwerking tussen marge en centrum, met een speciale waardering voor utopieën en kunstenaars die esthetische opvattingen op ongebruikelijke wijze in verbinding brengen met maatschappelijke problematiek. Het verbeelden van ontworteling, ontreddering en uitsluiting is een van de moeilijkste opgaven voor een beeldend kunstenaar en het is weinigen gegeven daar op een bevredigende manier een artistiek en intellectueel uitdagende vorm voor te vinden. Christiaan Bastiaans heeft uiterste pogingen daartoe gedaan, die in de aangekochte film prachtig tot uiting komen. De film wordt vertoond in een legertent/veldbioscoop die onderdeel is van het totale kunstwerk. De film is opgenomen in een fictieve ‘Club Mama Gemütlich’. Het is deels lazaret, deels zendingspost en deels nachtclubpodium. Het vertegenwoordigt een geïmproviseerde schuilplaats voor een groep gewonden (soldaten) in het niemandsland van een conflictzone. Het is een plaats waar door toedoen van de hoofdrolspeelster in de film, La Vivre, vertolkt door Jeanne Moreau, hoop, troost en warmte nog steeds aanwezig zijn. De film bestaat uit 7 scènes, die zijn gebaseerd op gevonden oorlogsfoto’s of gevonden foto’s van een lazaret. Elke scène opent met een tableau vivant, dat nauwkeurig de voorstelling van de tot uitgangspunt genomen foto doet herleven. De scènes ontwikkelen zich aan de hand van de buiten beeld gesproken tekst van La Vivre, en van twee andere karakters uit het script, Cyto Kine en Molecular Scarlet, die niet als acteurs in de film optreden. Hun teksten worden gesproken door Rutger Hauer en Yoshi Oida.

De uitwerking van het filmscenario weerspiegelt in vele facetten Bastiaans’ bestudering van en liefde voor het Noh theater. Bij de rol van La Vivre, de troosteres, had hij het concept van Yûgen voor ogen: onzichtbare schoonheid, diep doorvoelde sublimiteit en mysterieuze elegantie. La Vivre vormt de spil in de film, haar rol is gecreëerd voor en met de Franse actrice Jeanne Moreau in gedachten. Zij is degene die in een omgeving van wanhoop, pijn en vervreemding het gevoel geeft dat hoop, troost en warmte binnen een ieders bereik zijn. Zij is de mystieke geestverschijning, zij zalft, zij heelt. Haar performance is gebaseerd op hele langzame, kleine en nauwkeurige gestes en bewegingen. Ze gebruikt de gebarentaal van doven, haar stem is alleen als voice-over te horen. Elke beweging is betekenisvol, net als in Noh. Het zijn bewegingen die smeken, verbinden en helen. Het geluid van de stemmen werkt als een invocatie, ze drukken elegantie en pathos uit en creëren een sfeer van meditatie en stilte, die net als in het Noh theater tijd en ruimte transcenderen. De teksten in de film verzamelde en schreef Bastiaans tijdens zijn reizen door conflictzones in Afrika.

CLUB MAMA GEMÜTLICH - Christiaan Bastiaans (1951)
Aangekocht in 2009

Vrouwenkop

circa 1909-1920

Constantin Brancusi (1876 - 1957)

potlood op papier

Het gaat bij deze aanwinst om een gestileerde vrouwenkop in potlood op grof papier. De tekening was al voor 1930 in het bezit van Nelly van Doesburg, de derde vrouw van de oprichter van De Stijl, Theo van Doesburg, maar dateert waarschijnlijk van veel vroeger. De tekening vult op betekenisvolle wijze een sinds 1995 opgebouwde groep van werken van Brancusi aan rond één van zijn belangrijkste thema’s: het liggende of slapende hoofd. Le Commencement du Monde uit 1924 is daar het eindstation van en het aandoenlijke hoofdje van een slapend kind uit 1908 staat aan het begin. Het hoofd in rust kan gezien worden als de broedplaats van alle creativiteit. Eerder verwierf het museum ook al een tekening/collage en vier eigenhandige foto’s van de kunstenaar.

Vrouwenkop - Constantin Brancusi (1876 - 1957)
Aangekocht in 2009

La Pièce

1971

Ger van Elk (1941)

beschilderd beukenhout op fluwelen kussen

La Pièce is een gedenkwaardig kunstwerk in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Het werk is gemaakt in het kader van de internationale tentoonstelling Sonsbeek buiten de perken, die in 1971 in Arnhem en de rest van het land plaatsvond. De tentoonstelling liet Nederland kennis maken met de nieuwste en radicaalste opvattingen in de beeldende kunst (zoals conceptuele kunst, Land Art en minimal art) en behoort ondertussen tot de baanbrekende kunsttentoonstellingen van de vorige eeuw. Dit werk van de toen 30-jarige Ger van Elk is uitgegroeid tot een van de beroemdste werken van conceptuele kunst en sindsdien vele malen tentoongesteld. Van Elk maakte het werk in respons op de grootschalige, volgens hem megalomane werken die in de minimal en Land Art ontstonden. Hij wilde een werk maken dat het halve wereldrond besloeg door op de schoonste en meest stofvrije plek van de oceaan een houten blokje te lakken. Hij reisde daartoe in januari 1971 op een vrachtschip af richting Groenland om ten westen van IJsland het bewuste blokje te beschilderen. Van Elk in 1971: “Het is mijn opzet een kunstwerkje te maken van een absolute schoonheid in dubbele betekenis nl. de schoonheid van een simpel blokje hout beschilderd in een prachtig wit en de schoonheid in technische zin: nl. geschilderd op die plek in de wereld waar geen stof onreinheid te weeg kan brengen: op de oceaan. In dit geval tussen Ierland en New Foundland (Canada). Deze gedachte is al heel oud en heeft een Chinees-Japanse traditie. Deze oude ‘lakmeesters’ gingen ook op bootjes de zee op voor fijn schilderwerk voor de Keizerlijke Hoven” (HP, 29-6-1971). Tijdens de tentoonstelling werd het blokje, ondertussen La Pièce (het meesterstuk) getiteld, op een wijnrood kussentje in een glazen vitrine in het Tropenmuseum in Amsterdam geëxposeerd, begeleid door een zeekaart van de plek waar het geschilderd was, een korte tekst met uitleg en twee foto’s van de schilderactie zelf. Van Elk had een filmpje van het schilderen op volle zee laten maken, dat in het filmprogramma van Sonsbeek in Arnhem werd vertoond en dat ook op de televisie is uitgezonden. Van Elk koos voor het Tropenmuseum om het beeld van het enorme ruimtebeslag van de sculptuur te bevestigen én omdat het Tropenmuseum een plaats was waar een vreemde, exotische wereld ervaren kon worden.

Het werk belichaamde enerzijds een stevig en kritisch statement over hoe ver de ontmaterialisering van de kunst kon gaan (een topic, zo niet hét topic van die jaren), anderzijds opende het nieuwe en ongekende mogelijkheden voor de toepassing van tijd, ruimte en proces in de beeldende kunst. In 1973 zei hij daarover: “Er zijn dingen waarin ik [commentaar op de kunst heb geleverd], het sterkste voorbeeld daarvan is het blokje voor Sonsbeek (…) Ik wilde een kunstwerk maken dat monumentaal in zijn gedachte is, maar volstrekt het tegendeel in de uitvoering, door een zo minimaal mogelijk blokje hout op de netst mogelijke wijze wit te schilderen. Dat heeft ook allerlei vertakkingen. Het verwijst naar de minimal art en de geometrische abstractie en naar de decadentie, naar de luxe van dit soort tentoonstellingen [als Sonsbeek]. Daarom moest het ook op zee geschilderd worden, heel kostbaar, heel netjes, puntgaaf, geen stof, om dit voor de kunstzinnige hofhouding voor elkaar te krijgen” (cat. Eindhoven 1973). Het werk was ook ongemakkelijk, omdat de onmiskenbare ironie waarmee Van Elk zijn kunst kruidt uitzonderlijk was en nog steeds is. Toch, of misschien wel juist daardoor, heeft van Elks werk (en niet alleen La Pièce) de waarde gekregen van een filosofisch statement dat ertoe doet.

Voor het Kröller-Müller Museum is het werk van belang omdat het een zwaartepunt heeft opgebouwd rond de cruciale ontwikkelingen in de beeldende kunst van de jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw, rond de minimal art, de Land Art, de Arte Povera en de conceptuele kunst, waarvan het ondertussen duidelijk is geworden dat het hier om de laatste avant-garde stromingen ging. Het erop volgende postmodernisme, dat de traditie gelijkschakelde met het moderne, heeft met het begrip avant-garde weliswaar korte metten gemaakt, maar heeft ook de historische betekenis van vooral de conceptuele kunst scherp geaccentueerd, in zodanige mate dat de recente belangstelling van jonge kunstenaars en jong publiek ervoor enorm is toegenomen. In de verzameling van het museum staat daarnaast het begrip ‘sculptuur’ centraal en de vooral kritische relatie met de natuur. Polariserende kunstwerken met karakter die binnen deze thema’s passen horen in het Kröller-Müller Museum thuis.

La Pièce - Ger van Elk (1941)
Aangekocht in 2007

1984 and beyond

2005 - 2007

Gerard Byrne (1969)

videoinstallatie van 3 single channel videos met een serie van 20 ingelijste zwart-wit foto's (gelatine zilverdrukken) en een citaat uit 'Jonathan Edwards' van Perry Miller in pvc plakletters op een zwart geschilderde muur

De installatie 1984 and beyond , 2005-2007, van Gerard Byrne (1969, Dublin) bestaat uit drie videofilms, 20 zwart/wit foto’s en een tekstfragment op de wand. De films tonen de enscenering van een discussie tussen 12 sciencefiction schrijvers over hoe de wereld er na 1984 uit zou kunnen gaan zien. Het bijzondere van het werk is dat de discussie in 1963 is gevoerd en in juli en augustus van dat jaar in Playboy is gepubliceerd. Byrne maakte er in 2005 een performance van en liet de schrijvers door Nederlandse acteurs spelen. Hij gebruikte twee exemplarische voorbeelden van moderne, naoorlogse bouwkunst als de sets voor de opnames: het paviljoen van Gerrit Rietveld (1955/1965) in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum en het Provinciehuis van Hugh Maaskant (1971) in Den Bosch. Het tekstfragment is ontleend aan een boek van Perry Miller uit 1949 over Jonathan Edwards (1703-1758), een beroemde Noord-Amerikaanse theoloog. De foto’s zijn weliswaar van Byrne, maar tonen tijdloze beelden van onbestemde plaatsen, alsof de veranderingen waar de schrijvers over praten niet plaatsvinden. De crux van het werk zit in de complexe verweving van heden, verleden en toekomst en de betekenis van het speculeren over het utopische gehalte van de toekomst.
1984 and beyond is in 2007 verworven met steun van de BankGiro Loterij, door toedoen van de Stichting Kröller-Müller Fonds.

1984 and beyond - Gerard Byrne (1969)
Aangekocht op 5 juni 2008

Zittende vrouw

1916

Georges Vantongerloo (1886 - 1965)

olieverf op doek

Dit kleine, maar bijzonder schilderij van de Belgische kunstenaar Georges Vantongerloo (1886-1965) kocht het museum bij veilinghuis Christie’s te Amsterdam voor een bedrag van € 17.800,=. Het gaat om de afbeelding van een zittende vrouw in een interieur op een doek van 33,5 x 44 cm, nog in zijn originele grijs geschilderde lijst. De compositie is opgezet als een grof gepointilleerd schilderij met brede, ritmisch aangebrachte verfstreken in wit, zwart, rood, geel en groen op een blauwe achtergrond. Hoewel zwierig door de kunstenaar gesigneerd en ‘1916’ gedateerd, is het vermoedelijk in 1917 ontstaan. Hij verbleef toen als vluchteling in Den Haag. In België had hij al carrière gemaakt als beeldhouwer van realistische beelden, maar met een impressionistische afwerking die de invloed van zijn iets oudere landgenoot, de beeldhouwer en schilder Rik Wouters (1882-1916) in zich draagt. Op een eenmanstentoonstelling in oktober 1917 bij de Kunstkring Hollando-Belge in Den Haag liet Vantongerloo voor het eerst ook schilderijen zien, waaronder deze Zittende vrouw. In Den Haag had hij zijn eveneens gevluchte landgenoot, de futurist Jules Schmalzigaug (1882-1917) ontmoet, die hem ongetwijfeld op het spoor van de modernste kunst had gezet. Al kort daarna, in 1918, verkeerde Vantongerloo in de kringen van De Stijl en werd hij een van de coryfeeën van de 20ste eeuwse avant-garde.
Zittende vrouw - Georges Vantongerloo (1886 - 1965)
Aangekocht in 2008

Bonensnijder

1905

Jan Toorop (1858 - 1928)

Pastel/krijt, zwart krijt en grafiet op papier

In 2008 is het museum erin geslaagd om twee tekeningen van Jan Toorop te verwerven met steun van de BankGiro Loterij: Bonensnijder uit 1905 en Aardappels rapen uit 1907, die samen met de al aanwezige Bonenoogst uit 1906 een mooie serie vormen.

Jan Toorop (1858-1928) was een van de favoriete kunstenaars van Helene Kröller-Müller. Aan haar is te danken dat het naar haar genoemde museum een prachtige verzameling van zijn schilderijen, tekeningen en grafiek bezit. Als tekenaar, met verschillende materialen op papier, heeft hij een constant en consequent oeuvre opgebouwd en is hij eigenlijk op zijn best. Op basis van de eigen verzameling zou een representatief overzicht van de tekeningen op topniveau getoond kunnen worden, maar een belangrijke schakel ontbreekt: de tekeningen die hij in achtereenvolgende jaren tijdens zijn verblijven in Zeeland maakt. Deze tekeningen zijn bijzonder door de vrijheid die er uit straalt, maar ook door de verwerking van de invloed van Vincent van Gogh. Ze zijn vaak ook esthetisch zeer aantrekkelijk.

Omdat het vervolmaken van een specialiteit, die al bijna ideaal aanwezig is, ons zinnig leek en vanwege de relatie met het in ons museum zo prachtig vertegenwoordigde werk van Vincent van Gogh, zijn we uit blijven kijken naar tekeningen uit de Zeeuwse periode.

Bonensnijder - Jan Toorop (1858 - 1928)
Aangekocht in 2008

Aardappels rapen

1907

Jan Toorop (1858 - 1928)

zwart krijt, potlood en pastel op papier

In 2008 is het museum erin geslaagd om twee tekeningen van Jan Toorop te verwerven met steun van de BankGiro Loterij: Bonensnijder uit 1905 en Aardappels rapen uit 1907, die samen met de al aanwezige Bonenoogst uit 1906 een mooie serie vormen.

Jan Toorop (1858-1928) was een van de favoriete kunstenaars van Helene Kröller-Müller. Aan haar is te danken dat het naar haar genoemde museum een prachtige verzameling van zijn schilderijen, tekeningen en grafiek bezit. Als tekenaar, met verschillende materialen op papier, heeft hij een constant en consequent oeuvre opgebouwd en is hij eigenlijk op zijn best. Op basis van de eigen verzameling zou een representatief overzicht van de tekeningen op topniveau getoond kunnen worden, maar een belangrijke schakel ontbreekt: de tekeningen die hij in achtereenvolgende jaren tijdens zijn verblijven in Zeeland maakt. Deze tekeningen zijn bijzonder door de vrijheid die er uit straalt, maar ook door de verwerking van de invloed van Vincent van Gogh. Ze zijn vaak ook esthetisch zeer aantrekkelijk.

Omdat het vervolmaken van een specialiteit, die al bijna ideaal aanwezig is, ons zinnig leek en vanwege de relatie met het in ons museum zo prachtig vertegenwoordigde werk van Vincent van Gogh, zijn we uit blijven kijken naar tekeningen uit de Zeeuwse periode.

Aardappels rapen - Jan Toorop (1858 - 1928)
Aangekocht in 2007

13 takkenbossen met neontak

1967

Jan Dibbets (1941)

takkenbossen, neon, ijzerdraad, snoeren, transformatoren

De installatie 13 takkenbossen met neontak uit 1967 van Jan Dibbets (Weert, 1941), is in 2007 aangekocht voor 130.000,= met steun van de Mondriaan Stichting en de BankGiro Loterij. Met deze aankoop versterkt het museum zijn collectie op het gebied van de conceptuele kunst en de avant-garde van de jaren zestig van de vorige eeuw.

Het werk bestaat uit een installatie van takkenbossen waaraan steeds één groene neon tak is toegevoegd. Het is voor het eerst getoond bij de Konrad Fischer Galerie in Düsseldorf in 1968 en voor de tweede en voorlopig laatste maal in 1988 in het Van Abbemuseum te Eindhoven in het kader van een overzichtstentoonstelling van het werk van Jan Dibbets. Het museum kocht al eerder in 1997 één deel van het werk dat per abuis kort na 1968 door de galerie verkocht was aan een particulier.

In 1967 volgde het werk van Jan Dibbets twee sporen: werken die achteraf door hun materiaalgebruik tot de Arte Povera gerekend kunnen worden, zoals het aangekochte werk, en fotowerken, zogenaamde perspectiefcorrecties, waarin de kunstenaar speelde met de bedrieglijkheid van dit medium bij de registratie van de ruimte. Een perspectiefcorrectie uit 1967 bevindt zich al sinds vele jaren in de collectie van het museum en in 2008 was deze samen met de nieuwe installatie te zien in het museum. De kunstenaar zegt hierover: ‘De perspectiefcorrectie heb ik er graag bij want ik had beide werken in mijn atelier destijds en had geen idee wat ik met ze aanmoest. Totdat ik koos voor fotografie – De splijtzwam zit in hun samenzijn.’ De kunstenaar heeft een ontwerptekening voor de neontakken aan het museum geschonken ter gelegenheid van de aankoop.

13 takkenbossen met neontak - Jan Dibbets (1941)
Aangekocht in 2007

London Knees 1966

1968

Claes Oldenburg (1929)

latex, verf, polymethylmethacrylaat, hout, papier, druk

De Amerikaanse Pop Art kunstenaar Claes Oldenburg (Stockholm 1929) begon halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw voorstellen te doen voor kolossale monumenten van eigentijdse objecten, die hij typerend vond voor een bepaalde tijd en plaats. In de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum staat daar een beroemd voorbeeld van: zijn Troffel van blauw gespoten staal uit 1971.

Voor Londen stelde hij in 1966 voor om op het Victoria Embankment een monument van twee kolossale knieën te plaatsen. De belangrijkste inspiratiebron voor dit monument was de recente uitvinding van de minirok, die in combinatie met het dragen van laarzen het straatbeeld opvallend verlevendigde met blote knieën. Een andere inspiratiebron was de alomtegenwoordigheid van bijzondere torens, schoorstenen en zuilen in de architectuur van Londen.

Oldenburg werkte het voorstel uit in een multipel, een ander typisch fenomeen van de kunst van de jaren zestig, waarin het verlangen naar betaalbare en bereikbare kunst tot uiting kwam. Oldenburg vond het juiste model in een etalagepop uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog. Hij zaagde daar één knie uit en gebruikte deze en zijn spiegelbeeld. Het werk is in 1968 door Editions Alecto in 120 exemplaren in de handel gebracht. De uiteindelijke sculptuur werd voorzien van een zwarte perspex grondplaat en vergezeld van documenten, litho’s en zeefdrukken waarin het twee jaar durende productieproces werd toegelicht en ingegaan werd op de inspiratiebronnen van de kunstenaar voor dit werk.

London Knees 1966 is een zeer gelaagd werk geworden, sensueel door zijn onderwerp en materiaalgebruik, geestig door de speelse associaties en waardevol door een nieuwe kunstzinnige relatie te leggen tussen stedelijke omgeving en eigentijds leven.
Dit exemplaar is nog vóór 1970 door het echtpaar Herman en Henriëtte van Eelen-Weeber gekocht voor de oorspronkelijke prijs van GBP 500,- en is in 2007 door het Kröller-Müller Museum verworven als aanvulling op de verleden jaar van het echtpaar gekochte collectie Conceptuele Kunst.

London Knees 1966 - Claes Oldenburg (1929)
Aangekocht in 2007

Bloeiend boompje I

1921

Bart van der Leck (1876 - 1958)

olieverf op doek

Het Kröller-Müller Museum heeft een schilderij van Bart van der Leck uit 1921 verworven. Het gaat om Bloeiend boompje I (olieverf op doek, 28.3 x 44.3 cm). Het schilderij is afkomstig uit de nalatenschap van mevrouw G. barones Mackay-Brückmann en haar echtgenoot E.R.A. baron Mackay, die beiden kort na elkaar in 2005 overleden zijn. Mevrouw Mackay-Brückmann was een kleindochter van Anton en Helene Kröller-Müller, de stichters van het museum.
Het schilderij toont de voorstelling van een bloeiend appelboompje, teruggebracht tot een compositie van rode, blauwe en gele geometrische vlakken. In de collectie van het museum bevindt zich sinds 1921 een serie voorstudies voor het schilderij. Bijzonder is dat het museum in 2006 het pendant van het nu verworven schilderij heeft verkregen: Bloeiend boompje II (olieverf op doek, 30.7 45.7 cm, 1921). Dit werk is afkomstig uit het legaat van de heer J.S.R. van Deventer, de zoon van de secretaris van het echtpaar Kröller-Müller. 

Bloeiend boompje I - Bart van der Leck (1876 - 1958)
Aangekocht in 2006

Zonder titel (ereid)

1929

Kurt Schwitters (1887 - 1948)

collage op papier

Op donderdag 22 juni 2006 heeft de directeur van het Kröller-Müller Museum bij het veilinghuis Christies in Londen een bijzonder fraaie collage van Kurt Schwitters (1887 -1948) gekocht: Ohne Titel (ereid), uit 1929. Voor het werk, dat in uitstekende conditie verkeert, werd 210.000 pond betaald. Aangezien er niet vaak collages uit deze periode en van deze kwaliteit op de markt komen en het voor het museum een lang gekoesterde wens was de collectie te verrijken met een collage van Schwitters werd besloten van deze kans gebruik te maken. De collage sluit prachtig aan bij het verleden jaar van Schwitters verworven Relief mit gelbem Viereck 2 uit 1928.
Zonder titel (ereid) - Kurt Schwitters (1887 - 1948)
Aangekocht in 2006

Rocky lumps

2005-2006

Tom Claassen (1964)

beton (gepigmenteerd)

Op 21 juni 2006 presenteerde het museum een nieuwe aanwinst in de beeldentuin: 'Rocky Lumps' van Tom Claassen.

Het werk bestaat uit grote, kiezelachtige vormen van wit beton die op enige afstand van elkaar op het grasveld liggen. Het werk wekt de indruk alsof het geraamte van een dinosaurus door het grondoppervlak naar boven prikt. 'Rocky Lumps' is behalve een sculptuur ook nadrukkelijk een plek, een locatie. De kunstenaar liet zich onder andere inspireren door geërodeerde rotspartijen in zee.

'Rocky Lumps' is het zevende werk van Tom Claassen (1964, woont en werkt in Denemarken) in de collectie van het Kröller-Müller Museum. In de beeldentuin vindt u ook zijn werk '18 Liggende houten mannen' uit 2000.

De aankoop is mogelijk gemaakt door de BankGiro Loterij.

Rocky lumps - Tom Claassen (1964)