archief

Aangekocht in 2009

La Pièce

1971

Ger van Elk (1941)

beschilderd blokje beukenhout op fluwelen kussen

La Pièce is een gedenkwaardig kunstwerk in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Het werk is gemaakt in het kader van de internationale tentoonstelling Sonsbeek buiten de perken, die in 1971 in Arnhem en de rest van het land plaatsvond. De tentoonstelling liet Nederland kennis maken met de nieuwste en radicaalste opvattingen in de beeldende kunst (zoals conceptuele kunst, Land Art en minimal art) en behoort ondertussen tot de baanbrekende kunsttentoonstellingen van de vorige eeuw. Dit werk van de toen 30-jarige Ger van Elk is uitgegroeid tot een van de beroemdste werken van conceptuele kunst en sindsdien vele malen tentoongesteld. Van Elk maakte het werk in respons op de grootschalige, volgens hem megalomane werken die in de minimal en Land Art ontstonden. Hij wilde een werk maken dat het halve wereldrond besloeg door op de schoonste en meest stofvrije plek van de oceaan een houten blokje te lakken. Hij reisde daartoe in januari 1971 op een vrachtschip af richting Groenland om ten westen van IJsland het bewuste blokje te beschilderen. Van Elk in 1971: “Het is mijn opzet een kunstwerkje te maken van een absolute schoonheid in dubbele betekenis nl. de schoonheid van een simpel blokje hout beschilderd in een prachtig wit en de schoonheid in technische zin: nl. geschilderd op die plek in de wereld waar geen stof onreinheid te weeg kan brengen: op de oceaan. In dit geval tussen Ierland en New Foundland (Canada). Deze gedachte is al heel oud en heeft een Chinees-Japanse traditie. Deze oude ‘lakmeesters’ gingen ook op bootjes de zee op voor fijn schilderwerk voor de Keizerlijke Hoven” (HP, 29-6-1971). Tijdens de tentoonstelling werd het blokje, ondertussen La Pièce (het meesterstuk) getiteld, op een wijnrood kussentje in een glazen vitrine in het Tropenmuseum in Amsterdam geëxposeerd, begeleid door een zeekaart van de plek waar het geschilderd was, een korte tekst met uitleg en twee foto’s van de schilderactie zelf. Van Elk had een filmpje van het schilderen op volle zee laten maken, dat in het filmprogramma van Sonsbeek in Arnhem werd vertoond en dat ook op de televisie is uitgezonden. Van Elk koos voor het Tropenmuseum om het beeld van het enorme ruimtebeslag van de sculptuur te bevestigen én omdat het Tropenmuseum een plaats was waar een vreemde, exotische wereld ervaren kon worden.

Het werk belichaamde enerzijds een stevig en kritisch statement over hoe ver de ontmaterialisering van de kunst kon gaan (een topic, zo niet hét topic van die jaren), anderzijds opende het nieuwe en ongekende mogelijkheden voor de toepassing van tijd, ruimte en proces in de beeldende kunst. In 1973 zei hij daarover: “Er zijn dingen waarin ik [commentaar op de kunst heb geleverd], het sterkste voorbeeld daarvan is het blokje voor Sonsbeek (…) Ik wilde een kunstwerk maken dat monumentaal in zijn gedachte is, maar volstrekt het tegendeel in de uitvoering, door een zo minimaal mogelijk blokje hout op de netst mogelijke wijze wit te schilderen. Dat heeft ook allerlei vertakkingen. Het verwijst naar de minimal art en de geometrische abstractie en naar de decadentie, naar de luxe van dit soort tentoonstellingen [als Sonsbeek]. Daarom moest het ook op zee geschilderd worden, heel kostbaar, heel netjes, puntgaaf, geen stof, om dit voor de kunstzinnige hofhouding voor elkaar te krijgen” (cat. Eindhoven 1973). Het werk was ook ongemakkelijk, omdat de onmiskenbare ironie waarmee Van Elk zijn kunst kruidt uitzonderlijk was en nog steeds is. Toch, of misschien wel juist daardoor, heeft van Elks werk (en niet alleen La Pièce) de waarde gekregen van een filosofisch statement dat ertoe doet.

Voor het Kröller-Müller Museum is het werk van belang omdat het een zwaartepunt heeft opgebouwd rond de cruciale ontwikkelingen in de beeldende kunst van de jaren ‘60 en ‘70 van de vorige eeuw, rond de minimal art, de Land Art, de Arte Povera en de conceptuele kunst, waarvan het ondertussen duidelijk is geworden dat het hier om de laatste avant-garde stromingen ging. Het erop volgende postmodernisme, dat de traditie gelijkschakelde met het moderne, heeft met het begrip avant-garde weliswaar korte metten gemaakt, maar heeft ook de historische betekenis van vooral de conceptuele kunst scherp geaccentueerd, in zodanige mate dat de recente belangstelling van jonge kunstenaars en jong publiek ervoor enorm is toegenomen. In de verzameling van het museum staat daarnaast het begrip ‘sculptuur’ centraal en de vooral kritische relatie met de natuur. Polariserende kunstwerken met karakter die binnen deze thema’s passen horen in het Kröller-Müller Museum thuis.

La Pièce - Ger van Elk (1941)
Aangekocht in 2007

1984 and beyond

2005 - 2007

Gerard Byrne (1969)

videoinstallatie van 3 single channel videos met een serie van 20 ingelijste zwart-wit foto's (gelatine zilverdrukken) en een citaat uit 'Jonathan Edwards' van Perry Miller in pvc plakletters op een zwart geschilderde muur

De installatie 1984 and beyond , 2005-2007, van Gerard Byrne (1969, Dublin) bestaat uit drie videofilms, 20 zwart/wit foto’s en een tekstfragment op de wand. De films tonen de enscenering van een discussie tussen 12 sciencefiction schrijvers over hoe de wereld er na 1984 uit zou kunnen gaan zien. Het bijzondere van het werk is dat de discussie in 1963 is gevoerd en in juli en augustus van dat jaar in Playboy is gepubliceerd. Byrne maakte er in 2005 een performance van en liet de schrijvers door Nederlandse acteurs spelen. Hij gebruikte twee exemplarische voorbeelden van moderne, naoorlogse bouwkunst als de sets voor de opnames: het paviljoen van Gerrit Rietveld (1955/1965) in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum en het Provinciehuis van Hugh Maaskant (1971) in Den Bosch. Het tekstfragment is ontleend aan een boek van Perry Miller uit 1949 over Jonathan Edwards (1703-1758), een beroemde Noord-Amerikaanse theoloog. De foto’s zijn weliswaar van Byrne, maar tonen tijdloze beelden van onbestemde plaatsen, alsof de veranderingen waar de schrijvers over praten niet plaatsvinden. De crux van het werk zit in de complexe verweving van heden, verleden en toekomst en de betekenis van het speculeren over het utopische gehalte van de toekomst.
1984 and beyond is in 2007 verworven met steun van de BankGiro Loterij, door toedoen van de Stichting Kröller-Müller Fonds.

1984 and beyond - Gerard Byrne (1969)
Aangekocht op 5 juni 2008

Zittende vrouw

1916

Georges Vantongerloo (1886 - 1965)

olieverf op doek

Dit kleine, maar bijzonder schilderij van de Belgische kunstenaar Georges Vantongerloo (1886-1965) kocht het museum bij veilinghuis Christie’s te Amsterdam voor een bedrag van € 17.800,=. Het gaat om de afbeelding van een zittende vrouw in een interieur op een doek van 33,5 x 44 cm, nog in zijn originele grijs geschilderde lijst. De compositie is opgezet als een grof gepointilleerd schilderij met brede, ritmisch aangebrachte verfstreken in wit, zwart, rood, geel en groen op een blauwe achtergrond. Hoewel zwierig door de kunstenaar gesigneerd en ‘1916’ gedateerd, is het vermoedelijk in 1917 ontstaan. Hij verbleef toen als vluchteling in Den Haag. In België had hij al carrière gemaakt als beeldhouwer van realistische beelden, maar met een impressionistische afwerking die de invloed van zijn iets oudere landgenoot, de beeldhouwer en schilder Rik Wouters (1882-1916) in zich draagt. Op een eenmanstentoonstelling in oktober 1917 bij de Kunstkring Hollando-Belge in Den Haag liet Vantongerloo voor het eerst ook schilderijen zien, waaronder deze Zittende vrouw. In Den Haag had hij zijn eveneens gevluchte landgenoot, de futurist Jules Schmalzigaug (1882-1917) ontmoet, die hem ongetwijfeld op het spoor van de modernste kunst had gezet. Al kort daarna, in 1918, verkeerde Vantongerloo in de kringen van De Stijl en werd hij een van de coryfeeën van de 20ste eeuwse avant-garde.
Zittende vrouw - Georges Vantongerloo (1886 - 1965)
Aangekocht in 2008

Bonensnijder

1905

Jan Toorop (1858 - 1928)

zwart krijt, potlood en pastel op papier

In 2008 is het museum erin geslaagd om twee tekeningen van Jan Toorop te verwerven met steun van de BankGiro Loterij: Bonensnijder uit 1905 en Aardappels rapen uit 1907, die samen met de al aanwezige Bonenoogst uit 1906 een mooie serie vormen.

Jan Toorop (1858-1928) was een van de favoriete kunstenaars van Helene Kröller-Müller. Aan haar is te danken dat het naar haar genoemde museum een prachtige verzameling van zijn schilderijen, tekeningen en grafiek bezit. Als tekenaar, met verschillende materialen op papier, heeft hij een constant en consequent oeuvre opgebouwd en is hij eigenlijk op zijn best. Op basis van de eigen verzameling zou een representatief overzicht van de tekeningen op topniveau getoond kunnen worden, maar een belangrijke schakel ontbreekt: de tekeningen die hij in achtereenvolgende jaren tijdens zijn verblijven in Zeeland maakt. Deze tekeningen zijn bijzonder door de vrijheid die er uit straalt, maar ook door de verwerking van de invloed van Vincent van Gogh. Ze zijn vaak ook esthetisch zeer aantrekkelijk.

Omdat het vervolmaken van een specialiteit, die al bijna ideaal aanwezig is, ons zinnig leek en vanwege de relatie met het in ons museum zo prachtig vertegenwoordigde werk van Vincent van Gogh, zijn we uit blijven kijken naar tekeningen uit de Zeeuwse periode.

Bonensnijder - Jan Toorop (1858 - 1928)
Aangekocht in 2008

Aardappels rapen

1907

Jan Toorop (1858 - 1928)

zwart krijt, potlood en pastel op papier

In 2008 is het museum erin geslaagd om twee tekeningen van Jan Toorop te verwerven met steun van de BankGiro Loterij: Bonensnijder uit 1905 en Aardappels rapen uit 1907, die samen met de al aanwezige Bonenoogst uit 1906 een mooie serie vormen.

Jan Toorop (1858-1928) was een van de favoriete kunstenaars van Helene Kröller-Müller. Aan haar is te danken dat het naar haar genoemde museum een prachtige verzameling van zijn schilderijen, tekeningen en grafiek bezit. Als tekenaar, met verschillende materialen op papier, heeft hij een constant en consequent oeuvre opgebouwd en is hij eigenlijk op zijn best. Op basis van de eigen verzameling zou een representatief overzicht van de tekeningen op topniveau getoond kunnen worden, maar een belangrijke schakel ontbreekt: de tekeningen die hij in achtereenvolgende jaren tijdens zijn verblijven in Zeeland maakt. Deze tekeningen zijn bijzonder door de vrijheid die er uit straalt, maar ook door de verwerking van de invloed van Vincent van Gogh. Ze zijn vaak ook esthetisch zeer aantrekkelijk.

Omdat het vervolmaken van een specialiteit, die al bijna ideaal aanwezig is, ons zinnig leek en vanwege de relatie met het in ons museum zo prachtig vertegenwoordigde werk van Vincent van Gogh, zijn we uit blijven kijken naar tekeningen uit de Zeeuwse periode.

Aardappels rapen - Jan Toorop (1858 - 1928)
Aangekocht in 2007

13 takkenbossen met neontak

1967

Jan Dibbets (1941)

takkenbossen, neon, ijzerdraad, snoeren, transformatoren

De installatie 13 takkenbossen met neontak uit 1967 van Jan Dibbets (Weert, 1941), is in 2007 aangekocht voor 130.000,= met steun van de Mondriaan Stichting en de BankGiro Loterij. Met deze aankoop versterkt het museum zijn collectie op het gebied van de conceptuele kunst en de avant-garde van de jaren zestig van de vorige eeuw.

Het werk bestaat uit een installatie van takkenbossen waaraan steeds één groene neon tak is toegevoegd. Het is voor het eerst getoond bij de Konrad Fischer Galerie in Düsseldorf in 1968 en voor de tweede en voorlopig laatste maal in 1988 in het Van Abbemuseum te Eindhoven in het kader van een overzichtstentoonstelling van het werk van Jan Dibbets. Het museum kocht al eerder in 1997 één deel van het werk dat per abuis kort na 1968 door de galerie verkocht was aan een particulier.

In 1967 volgde het werk van Jan Dibbets twee sporen: werken die achteraf door hun materiaalgebruik tot de Arte Povera gerekend kunnen worden, zoals het aangekochte werk, en fotowerken, zogenaamde perspectiefcorrecties, waarin de kunstenaar speelde met de bedrieglijkheid van dit medium bij de registratie van de ruimte. Een perspectiefcorrectie uit 1967 bevindt zich al sinds vele jaren in de collectie van het museum en in 2008 was deze samen met de nieuwe installatie te zien in het museum. De kunstenaar zegt hierover: ‘De perspectiefcorrectie heb ik er graag bij want ik had beide werken in mijn atelier destijds en had geen idee wat ik met ze aanmoest. Totdat ik koos voor fotografie – De splijtzwam zit in hun samenzijn.’ De kunstenaar heeft een ontwerptekening voor de neontakken aan het museum geschonken ter gelegenheid van de aankoop.

13 takkenbossen met neontak - Jan Dibbets (1941)
Aangekocht in 2007

London Knees 1966

1968

Claes Oldenburg (1929)

latex, verf, polymethylmethacrylaat, hout, papier, druk

De Amerikaanse Pop Art kunstenaar Claes Oldenburg (Stockholm 1929) begon halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw voorstellen te doen voor kolossale monumenten van eigentijdse objecten, die hij typerend vond voor een bepaalde tijd en plaats. In de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum staat daar een beroemd voorbeeld van: zijn Troffel van blauw gespoten staal uit 1971.

Voor Londen stelde hij in 1966 voor om op het Victoria Embankment een monument van twee kolossale knieën te plaatsen. De belangrijkste inspiratiebron voor dit monument was de recente uitvinding van de minirok, die in combinatie met het dragen van laarzen het straatbeeld opvallend verlevendigde met blote knieën. Een andere inspiratiebron was de alomtegenwoordigheid van bijzondere torens, schoorstenen en zuilen in de architectuur van Londen.

Oldenburg werkte het voorstel uit in een multipel, een ander typisch fenomeen van de kunst van de jaren zestig, waarin het verlangen naar betaalbare en bereikbare kunst tot uiting kwam. Oldenburg vond het juiste model in een etalagepop uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog. Hij zaagde daar één knie uit en gebruikte deze en zijn spiegelbeeld. Het werk is in 1968 door Editions Alecto in 120 exemplaren in de handel gebracht. De uiteindelijke sculptuur werd voorzien van een zwarte perspex grondplaat en vergezeld van documenten, litho’s en zeefdrukken waarin het twee jaar durende productieproces werd toegelicht en ingegaan werd op de inspiratiebronnen van de kunstenaar voor dit werk.

London Knees 1966 is een zeer gelaagd werk geworden, sensueel door zijn onderwerp en materiaalgebruik, geestig door de speelse associaties en waardevol door een nieuwe kunstzinnige relatie te leggen tussen stedelijke omgeving en eigentijds leven.
Dit exemplaar is nog vóór 1970 door het echtpaar Herman en Henriëtte van Eelen-Weeber gekocht voor de oorspronkelijke prijs van GBP 500,- en is in 2007 door het Kröller-Müller Museum verworven als aanvulling op de verleden jaar van het echtpaar gekochte collectie Conceptuele Kunst.

London Knees 1966 - Claes Oldenburg (1929)
Aangekocht in 2007

Bloeiend boompje I

1921

Bart van der Leck (1876 - 1958)

olieverf op doek

Het Kröller-Müller Museum heeft een schilderij van Bart van der Leck uit 1921 verworven. Het gaat om Bloeiend boompje I (olieverf op doek, 28.3 x 44.3 cm). Het schilderij is afkomstig uit de nalatenschap van mevrouw G. barones Mackay-Brückmann en haar echtgenoot E.R.A. baron Mackay, die beiden kort na elkaar in 2005 overleden zijn. Mevrouw Mackay-Brückmann was een kleindochter van Anton en Helene Kröller-Müller, de stichters van het museum.
Het schilderij toont de voorstelling van een bloeiend appelboompje, teruggebracht tot een compositie van rode, blauwe en gele geometrische vlakken. In de collectie van het museum bevindt zich sinds 1921 een serie voorstudies voor het schilderij. Bijzonder is dat het museum in 2006 het pendant van het nu verworven schilderij heeft verkregen: Bloeiend boompje II (olieverf op doek, 30.7 45.7 cm, 1921). Dit werk is afkomstig uit het legaat van de heer J.S.R. van Deventer, de zoon van de secretaris van het echtpaar Kröller-Müller. 

Bloeiend boompje I - Bart van der Leck (1876 - 1958)
Aangekocht in 2006

Zonder titel (ereid)

1929

Kurt Schwitters (1887 - 1948)

collage op papier

Op donderdag 22 juni 2006 heeft de directeur van het Kröller-Müller Museum bij het veilinghuis Christies in Londen een bijzonder fraaie collage van Kurt Schwitters (1887 -1948) gekocht: Ohne Titel (ereid), uit 1929. Voor het werk, dat in uitstekende conditie verkeert, werd 210.000 pond betaald. Aangezien er niet vaak collages uit deze periode en van deze kwaliteit op de markt komen en het voor het museum een lang gekoesterde wens was de collectie te verrijken met een collage van Schwitters werd besloten van deze kans gebruik te maken. De collage sluit prachtig aan bij het verleden jaar van Schwitters verworven Relief mit gelbem Viereck 2 uit 1928.
Zonder titel (ereid) - Kurt Schwitters (1887 - 1948)
Aangekocht in 2006

Rocky lumps

2005-2006

Tom Claassen (1964)

beton (gepigmenteerd)

Op 21 juni 2006 presenteerde het museum een nieuwe aanwinst in de beeldentuin: 'Rocky Lumps' van Tom Claassen.

Het werk bestaat uit grote, kiezelachtige vormen van wit beton die op enige afstand van elkaar op het grasveld liggen. Het werk wekt de indruk alsof het geraamte van een dinosaurus door het grondoppervlak naar boven prikt. 'Rocky Lumps' is behalve een sculptuur ook nadrukkelijk een plek, een locatie. De kunstenaar liet zich onder andere inspireren door geërodeerde rotspartijen in zee.

'Rocky Lumps' is het zevende werk van Tom Claassen (1964, woont en werkt in Denemarken) in de collectie van het Kröller-Müller Museum. In de beeldentuin vindt u ook zijn werk '18 Liggende houten mannen' uit 2000.

De aankoop is mogelijk gemaakt door de BankGiro Loterij.

Rocky lumps - Tom Claassen (1964)